Willem ROELOFS | Wood landscape

Painting
Oil on Panel | ?

Willem Roelofs (Amsterdam, 10 maart 1822 - Berchem, 12 mei 1897) was een Nederlands kunstschilder, aquarellist, etser en lithograaf; het landschap was zijn onderwerp.

Roelofs werd in Amsterdam geboren als de oudste zoon van Otto Willem Roelofs (1795-1868) en Wilhelmina Carolina Elisabeth Pronckert-Roelofs (1789-1866); hij werd gedoopt in de Nieuwe Kerk aan de Dam. In het gezin met 7 kinderen was veel belangstelling voor literatuur en beeldende kunst; zijn ouders bezaten een kleine collectie tekeningen en prenten. Zijn moeder aquarelleerde bloemen en planten, die ze inzond naar tentoonstellingen van Levende Meesters. Vaak werden door het gezin musea bezocht; in 1829 schreef hij als zevenjarige al na een bezoek aan het Rijksmuseum te Amsterdam met zijn tante en zus, dat hij enthousiast was over bloem- en fruitstillevens en met name over het schilderij Brasmaaltijd van Barthelomeus van der Helst.

In 1827 verhuisde het gezin naar Utrecht waar zijn vader de vloersteenfabriek annex tegelhandel Rotsenburg van zijn schoonvader overnam aan de Vaartsche Rijn. Willen werd in 1837 lid van het genootschap Kunstliefde, wat hem de mogelijkheid verschafte om te tekenen naar gekleed model. Dat jaar maakte de vijftienjarige Roelofs zijn eerste landschap, op een paneeltje; het was een tamelijk gecompliceerd landschapje, heel nauwkeurig uitgewerkt en in een gladde verflaag geschilderd. De lucht op het paneeltje nam 20 cm van de 26 cm hoogte in, een karakteristiek dat in Roelofs latere werk vaak terug zou keren. Een jaar later volgde hij lessen in Utrecht bij Abraham Hendrik Winter, een amateurschilder en veearts. Juni 1939 trok hij naar Den Haag waar hij zijn opleiding kreeg op het atelier van de landschapsschilder Hendrikus van de Sande Bakhuyzen. Bovendien volgde hij het vak handtekenen aan de Academie voor Beeldende Kunsten en bestudeerde schilderijen in het Mauritshuis. In 1840 deed hij nog belijdenis in Den Haag en vestigde zich kort daarop als zelfstandig kunstenaar in Utrecht. Een jaar later maakte hij samen met zijn voormalige leermeester Van de Sande Bakhuyzen en Van Deventer de voor kunstenaars gebruikelijke reis langs de Rijn.

Roelofs was één van de voorlopers van de Nederlandse vernieuwing in de schilderkunst; vanuit het romantische Classicisme uit het begin van de 19e eeuw ontwikkelde hij zich naar het impressionisme van de Haagse School. Hij was niet slechts schilder, maar tekende ook en maakte aquarellen, etsen en lithografieën. In de zomer van 1844 werkte Roelofs in de omgeving van Amersfoort, Wolfheze en Oosterbeek; in het najaar werd hij lid van de jonge Amsterdamse kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae. Kort daarop vertrok hij naar Den Haag en maakte in augustus o.a. een lange voettocht door het Duitse Ahrdal. In 1847 was hij betrokken bij de oprichting van het Haagse kunstenaarsgenootschap Pulchri Studio, ten huize van Jan Hardenberg, samen met Johan Hendrik Weissenbruch, Jan Weissenbruch, Jan Frederik van Deventer, Willem Antonie van Deventer, Jacob Jan van der Maaten, F.H. Michaël, B.J. van Hove en Johannes Bosboom. Roelofs vertrok echter al gauw naar Brussel met Johanna Adriana Verstraaten, zijn toekomstige vrouw (in 1852 trouwden zij); er was een groot standsverschil tussen hen, wat waarschijnlijk voor beiden een reden was om zich aldaar te vestigen; Johanne schreef zich in Brussel in als 'modiste', hij als 'artiste-peintre'. Roelofs kreeg er contact met kunstenaars als A. Ortmans, F.M. Kruseman en Van Eeckhout; ook met de Franse moderne kunst zou hij in Brussel bekend raken: de schilders van de School van Barbizon.

In 1851, 1852 en 1856 reisde Roelofs naar Barbizon; dit betekende voor hem een breuk met de romantische schilderstraditie die tot dan toe leidend was voor zijn werk. In 1852 ontmoette hij er de Barbizon-schilders Th. Rousseau en C. Troyon. Deze landschapsschilders namen bewust afstand van literaire thema's en kozen voor een veel directere schildertrant, gebaseerd op waarneming van natuur en atmosfeer. Roelofs werd hier sterk door aangetrokken en brak na 1850 met zijn motieven uit de romantische schilderkunst vol dramatiek. Hij koos meer en meer voor landschappen met hoge rustige wolkenluchten en stemmige waterpartijen - later, vaak bevolkt met vee. Vanaf 1856 bracht hij daarom regelmatig zijn zomers door in Nederland, o.a. in 't Gooi, de Vecht- en Geinstreek, de streek rond Noorden en Kortenhoef, Loosdrecht, Meerkerk, Gouda, Reeuwijk, en Leidschendam. Hij zocht én vond daar nooit eerder geschilderde landschappen, bijvoorbeeld rondom Abcoude, Leidschendam, Ruurlo en op Texel. Zo ontdekte hij als eerste Nederlandse schilder de pittoreske kwaliteiten van het waterrijke gebied rondom Noorden en Nieuwkoop, een ontdekking die hij aanvankelijk geheim wilde houden voor zijn vakgenoten. Zijn schilderijen van het polderlandschap inspireerden andere kunstenaars van de Haagse School zoals Hendrik Mesdag en Paul Gabriel; zelfs de beginnende Vincent Van Gogh bezocht hem nog in 1880 om advies te vragen, die hij ook kreeg: werken naar de natuur en lessen aan de academie in Antwerpen gaan volgen. Ook opende Roelofs met zijn nieuwe benadering de ogen van het Nederlandse kunstpubliek voor het 'gewone' Hollandse landschap.

In Brussel hielp hij mee met de stichting van de Société Royale Belge des Aquarellistes in 1856; er waren jaarlijkse exposities met ingelijste aquarellen; Roelofs was hun belangrijkste contactman naar de Nederlandse kunstenaars. In hetzelfde jaar maakte Roelofs zijn eerste uitgebreide en lange studiereis naar Nederland; velen zouden erna volgen - met name in de lente en de zomer - om zijn studies in de open lucht te maken en ze later tijdens de herfst en winter in grote doeken uit te werken. Later zou hij zeggen dat het toen Jozef Israels was die hem als wees op '..het schilderachtige van een Hollandsche plas met haat eigenaardige omgeving en onder een zekere belichting en bewolking' . Kort daarop zou hij in Abcoude gaan schilderen.
In de jaren tot 1864 kreeg Roelofs steeds grotere erkenning en raakt hij betrokken bij veel kunstenaarsverenigingen in Utrecht, Amsterdam en Den Haag en hun jaarlijkse exposities, hoewel zijn woonplaats nog steeds Schaarbeek in België bleef. Ook was er een aankoop door Koning Willem III en schilderde hij in 1862 een doek voor de historische galerij in Arti et Amicitiae te Amsterdam. In 1863 uitte hij voor het eerst zijn voornemen tegen zijn vriend Van der Maaten om wellicht terug te keren naar Nederland. Vanaf 1868 leed zijn vrouw aan waanvoorstellingen en zijn zus die te Schaarbeek bij hem verbleef was ernstig ziek; er volgen zware jaren die hem aan huis bonden. Hij schreef in 1870: ' - met mijne vrouw zie ik nog steeds achteruitgang. Ik vind in het schilderen alleen afleiding en opwekking en het eenige wat mij soms het leed doet vergeten' In de vroege herfst stierf zijn vrouw en kort erna zijn zus. Drie jaar later trouwde hij met Albertine Vertommen, een eenvoudige volksvrouw die zowel zijn eerste vrouw als zijn zieke zus had verpleegd.

In 1867 begon Roelofs voor het eerst aan een schilderij met zijn later zo karakteristieke motief van 'koeien in het water'. Hij wilde het doek inzenden naar een tentoonstelling in Edinburgh, maar het kostte hem veel moeite om dit nieuwe onderwerp onder de knie te krijgen; het werk was een maand later nog niet op tijd gereed. Dit motief van een weerspiegeling in het water van koeien met kijkende ogen - en dat alles in de onbegrensde natuur, trokken hem zo sterk aan dat Roelofs dit onderwerp tot c. 1890 bleef schilderen.

Februari 1887 besloot Roelofs definitief om naar Den Haag te verhuizen, in verband met de opvoeding van zijn beide zoons. Willem Elisa (de latere schilder) woonde inmiddels al een half jaar bij zijn tante Betsy in Utrecht, waar hij naar school ging. In juli vestigde het gehele gezin zich tegenover het Rijnspoorstation (het latere Staatsspoor - nu het station Den Haag Centraal), waardoor Roelofs snel en gemakkelijk de stad uit kon komen, om buiten te schilderen. Zijn beide zoons zouden later de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag bezoeken.

Nu werden de oude vriendschapsbetrekkingen met J. H. Weissenbruch, Stortenbeker, Smits, Jul. v. d. Sande Bakhuyzen, Hardenberg en anderen, die hij allen al van vroeger kende opnieuw aangeknoopt. Met Bosboom, Mauve, Jozef Israels en Vosmaer trok hij nog intensiever op als tevoren. Ook zijn oud-leerlingen H.W. Mesdag en Paul Gabriël vond hij er opnieuw terug. Toch hield Roelofs zich ook bewust binnen de grenzen van zijn artistieke en wetenschappelijke (entomologische) werkzaamheden en van zijn gezin. Met Jacob Maris, H.W. Mesdag en Adolph Artz werd hij al in Maart 1888 aangewezen tot lid van een commissie die de Hollandse inbreng voor de Parijse Wereldtentoonstelling van 1889 moest voorbereiden. In het voorjaar van 1890 was hij onder andere te Utrecht druk bezig om een in Pulchri te houden expositie van oud-Hollandsche schilderkunst voor te bereiden. Twee jaar later werd in Den Haag zijn 70ste verjaardag feestelijk herdacht, waarbij in het Gemeentemuseum het door Jozef Israels geschilderd portret van de oude Roelofs werd aangeboden.

Vanaf 1892 werd de gezondheid van Roelofs slechter door eerst een longontsteking, en een jaar later door een beroerte, waarna hij nauwelijks nog kon praten. In 1895 was hij ook nauwelijks nog in staat om te tekenen, maar trok toch in het voorjaar er nog op uit met zijn zoon Willem Elisa en zijn voormalige leerling Frans Smissaert om buiten te schetsen; dat jaar schilderde hij ook een aantal van zijn oude studies bij. In 1897 werd Roelofs geheel hulpbehoevend; zijn zoon Willem Elisa besloot met zijn allen naar Brussel terug te keren, omdat het leven daar goedkoper zou zijn. Onderweg naar Brussel stierf de oude Roelofs 12 mei 1897 in het huis van zijn zwager, te Berchem (bij Antwerpen). Enkele dagen later werd hij in zijn voormalige woonplaats Schaarsbeek in het familiegraf bijgezet; T. Mesdag (namens Pulchri) en Paul Gabriël waren hierbij aanwezig.

Roelofs verfraaide de studies die hij in de natuur had gemaakt zelden. Hij was van mening dat wanneer de plek juist gevonden was en de natuur goed doorvoeld, de weergave van het onderwerp niet veranderd diende te worden. Het was dan ook geen toeval dat juist Roelofs graag met een raampje de natuur in ging om daar te schilderen; zo kon hij met behulp hiervan een kant en klaar onderwerp uit de omgeving uitzoeken. De weersomstandigheden waren voor Roelofs geen belemmering om naar buiten te gaan. 'De natuur was hem het liefst bij boos weer. Het genot en de leering van het buiten-werken gaf hij niet prijs, zelfs niet bij zeer guren N.W. wind en felle regenbuien' , zo schreef kunsthistoricus H.F.W. Jeltes over hem in ferme woorden. Buiten gebruikte Roelofs nooit een ezel maar schilderde, naar Frans voorbeeld, op een uitgeknipt stukje geprepareerd linnen dat hij op zijn schilderskoffer met punaises bevestigde. Veel van deze olieverf-studies die hij zo in de natuur maakte, werkte hij vervolgens later in zijn atelier met olieverf uit in een groter formaat. Vanaf c. 1860 plaatste hij de horizon zodanig, dat de lucht boven het land twee-derde van het gehele doek in beslag nam.

Mesdag schreef over zijn leraar:
"Roelofs raadt mij aan [de] verf erg dik op te brengen, veel verf gebruiken, geen intense kleuren en regelmatig overschilderen." Jeltes waardeerde met name de buitenstudies van Roelofs:
'lederen zomer toog hij nu [vanaf 1856] voor geruimen tijd naar Holland, om indrukken te vergaren, die hij in verrukkelijke studies (in den regel van ongeveer 25 c.M. hoogte en 40 c.M. breedte) wist vast te houden. In deze studies bereikt hij de meest onbevangen, de meest onmiddellijke natuurweergave en daarbij de raakste en snelste uitdrukking van het vervlietende moment in het, onder de werking van licht en wind, gestadig wisselende aspekt van het landschap.. ..Het spontaanst en volledigst sprak Roelofs' temperamentvol, maar dóór en dóór gezond sentiment zich uit in zijn tallooze, soms verwonmodern-aandoende buitenstudies en in zijn vaak zeer suggestieve, "breed opgevatte houtskoolteekenmgen en in eenige zijner beste aquarellen. De buitenstudies.. ..gelden veelal als zijn krachtigste en meest grootsche uitingen. Ons en onzen tijd [1922] staan zij ongetwijfeld het naast. Roelofs zelf echter beschouwde ze slechts als voorbereidend, ondergeschikt werk, waaruit de meer kompleete, de volmaaktheid dichter benaderende schilderij moest voortspruiten, die dan op haar beurt weer niet naar een bepaalde studie, maar naar een kleine krijt- of houtskoolkrabbel gemaakt werd. De „studie" was voor hem niets meer dan juist dat, wat het woord aanduidt: het zich verdiepen in een vraagstuk, de strijd om een oplossing, een doorvorsching van het vluchtig natuurmoment, een technische oefening, een kennisvermeerdering.'

De bedoeling en het nut van zijn vele buitenstudies werd in 1886 door Roelofs zelf uitgelegd in een late brief aan zijn leerling Smissaert:
'..en dan blijft u over om de studie, het fragment, [later] tot schilderij te herscheppen. Want vergeet niet, dat dat twee dingen zijn: De natuur is de stof, waaruit wij moeten putten. Maar laat u niet door de moderne [waarschijnlijk de Belgische neo-impressionistische] theoriën wijsmaken, dat het navolgen, het copieeren der natuur alles is. Het doel, het streven van de Kunst is.. .te ontroeren.' Aan studies kende Roelofs geen andere waarde toe dan probeersels, een zoeken naar oplossingen, het vastleggen van een impressie, gegevens voor later; want een studie bevatte niet die ontroering die een schilderij voor hem moest kunnen overbrengen met een doordringende kracht en volheid. Aan een doorwerkt en weloverwogen schilderij van Roelofs lagen meerdere van dergelijke buitenstudies ten grondslag; bovendien werkte hij op basis van die studies in zijn atelier later lang door aan het schilderij, totdat hij de noodzakelijke lichtwerking en compositie had bereikt die het werk moest verkrijgen om te kunnen ontroeren, aldus A.M. Hammacher.

Van 1866 tot 1869 leidde hij in Vlaanderen Hendrik Willem Mesdag op, die zou uitgroeien tot een der grootmeesters van de Haagse School. Enkele andere van zijn vele leerlingen waren onder andere Paul Joseph Constantin Gabriël, Jan Theodoor Kruseman, Alexander Mollinger en Frans Smissaert. De dood van Mollinger in 1867 greep hem erg aan, ook al omdat ze regelmatig gezamenlijk studies hadden gemaakt in het atelier van Roelofs.

Naast de schilderkunst hield Roelofs zich ook bezig met entomologie, waarbij hij zich specialiseerde in snuitkevers. Hij publiceerde hierover in wetenschappelijke tijdschriften en determineerde deze voor het Natuurhistorisch Museum in Leiden (het huidige Naturalis). In 1855 richtte hij de Belgische Vereniging voor Entomologie op, waarvan hij in 1878 voorzitter werd. Omdat de keverstudie Roelofs teveel van het schilderen afhield, verkocht hij in 1881 zijn collectie van 71.8000 snuitkevers aan het Museum voor Natuurlijke Historie in Brussel. In het jaar ervoor had hij nog drie artikelen geschreven, maar sloot nu zijn entomologische carrière af.

Dimensions: 14,5cm x 12,5cm
Framed:
Signature: Signed
Inventory #: 160
You do not have permission to send new message!

Other works

Paula Izydorek

Chromatic Spectra 3.19.2

Joshua Rose

Mr Spinrod is Interested

Dara Mark

Elegy/Province of Loss #1

Jennifer Vasher

Cult of Cleanliness